Onze website gebruikt cookies om de site gebruiksvriendelijker te maken.

Blockchain - Gedistribueerd, maar met tendenzen tot centralisering

Posted on 21/01/2019 by Kristof Verslype

Blockchain, en bij uitbreiding DLT (Distributed Ledger Technology), wordt gezien als een technologie om vertrouwen te distribueren. Toch moeten we ons bewust zijn dat dit niet uitsluit dat vormen van centralisatie in een blockchaincontext - al dan niet verborgen - kunnen en zullen blijven bestaan. Het gedistribueerd utopia zal dan ook nog niet voor morgen zijn.

Het is oktober 1969. Charlie Kline bevindt zich in de University of California Los Angeles (UCLA). Zijn collega Bill Duvall, eveneens een jonge programmeur, is op datzelfde moment in het Stanford Research Institute (SRI). Ze slagen er voor het eerst in een bericht te versturen over ARPANET, een gedistribueerd en robuust netwerk waar een paar jaar later TCP/IP protocol uit zou ontstaan. Ons hele Internet is tot op vandaag op dit protocol gebouwd. ARPANET liet toe om berichten te versturen over een netwerk dat exclusief bestaat uit knooppunten die onbetrouwbaar zijn, in de zin dat ze op elk moment konden uitvallen. Een dergelijk netwerk was niet afhankelijk van een centraal knooppunt en kon zelfs een nucleaire aanval overleven, wat in volle Koude Oorlog een sterk pluspunt was.

De echo’s uit de jaren ‘60 van de vorige eeuw zijn onmiskenbaar als we kijken naar blockchain; door middel van een gedistribueerd netwerk kan robuust en zonder afhankelijk te zijn van een centrale partij informatie (ARPANET) of activa (DLT) uitgewisseld worden. Zoals reeds eerder geschreven, wordt vaak gesteld dat blockchain, en meer algemeen Distributed Ledger Technology (DLT) even belangrijk zal worden als het Internet zelf. Daar waar het Internet het uitwisselen van informatie snel en goedkoop maakte, zal DLT het uitwisselen van alles van waarde snel en goedkoop maken. Het mooie is, zo horen we, dat we daarvoor niet langer afhankelijk zullen zijn van een autoriteit zoals de bank, notaris of overheid. Het zal allemaal gebeuren op een robuust, gedistribueerd blockchainnetwerk, dat op het Internet leeft. De vraag is echter of alles wel zo’n vaart zal lopen. Laat ons daarvoor eens naar de evolutie van het Internet zelf kijken.

Bovenop het gedistribueerde Internet werden heel wat gecentraliseerde of hiërarchische top-down diensten gebouwd. Midden jaren 1980 ontstond DNS (Domain Name Service), waardoor we niet langer de IP-adressen van computers hoeven te kennen, maar enkel de domeinnaam. We hoeven dus niet langer 74.125.224.72 te onthouden, maar gewoon google.com. Als we over een veilig kanaal naar een website surfen, of een digitale handtekening willen verifiëren, maken we gebruik van een PKI (Public Key Infrastructure), wat eveneens een hiërarchische top-downdienst is die reeds begin jaren 70 ontwikkeld werd. Dankzij een PKI weten we met wie we communiceren, maar daarvoor moeten we die PKI wel vertrouwen.

Begin 1990 werd HTTP (HyperText Transfer Protocol) geïntroduceerd, wat de creatie van websites toeliet. Hoe vinden we echter de juiste website? In 1996 zetten twee studenten aan Stanford University, Larry Page en Sergey Brin, een zoekmachine op die luisterde naar de naam Google. Hun bedrijf groeide snel uit tot een mastodont.

De ontwikkeling van nieuwe technologieën liet vanaf de eerste jaren van dit millennium toe om het idee van het Web 2.0 te realiseren, waarbij de nadruk voortaan zou liggen op interactiviteit en door de burgers zelf gecreëerde inhoud, wat in scherp contrast stond tot de voorheen statische websites. Ook toen hoorden we stemmen verkondigen dat de oligopoliepositie van mediabedrijven zou verdwijnen en de democratie hoogtij zou vieren. Iedereen wordt redacteur van nieuws, iedereen wordt auteur dankzij de nieuwe kanalen. We zouden niet langer afhankelijk zijn van die mediabedrijven die we maar moeten vertrouwen voor accurate informatie en representatieve berichtgeving. In 2003 lanceerde Marc Zuckerberg, een student aan de Harvard University, Facemash. Wegens schendingen van de auteursrechten en privacy moest Facemash al snel offline gehaald worden, maar Zuckerberg werkte desondanks verder aan zijn project en lanceerde in 2004 Facebook. Dit was enkel mogelijk dankzij het Web 2.0, wat naast Facebook het ontstaan toeliet van een heel aantal andere grote sociale platformen zoals LinkedIn, Youtube en Twitter. Het zijn de bedrijven achter deze platformen die bepalen wat gecensureerd wordt, wat u te zien krijgt en die moeite hebben uw privacy te respecteren. Iedereen auteur dus, maar dan wel onder strikte supervisie. Bij onrust in landen zoals Turkije en Egypte wordt toegang tot dergelijke platformen op kritische momenten door de overheid overigens gewoon geblokkeerd. Recent zien we ook nog de proliferatie van fake news, dat door middel van deze sociale media gefaciliteerd wordt. Centrale platformen bepalen in toenemende mate wat echt en wat fake nieuws is. De participerende burger die inhoud aanlevert klinkt zeer gedistribueerd, maar in de praktijk zien we tegelijkertijd ook een sterke centralisatiebeweging.  

Dit zijn maar een aantal voorbeelden die aangeven dat er vandaag niet veel meer overblijft van dat gedistribueerde karakter van het Internet. Het kan wat paradoxaal klinken, maar de gedistribueerde basislaag van het Internet heeft net de condities gecreëerd voor gecentraliseerde megaspelers zoals Facebook en Google.

Dit alles leert ons dat de idee of de belofte van publieke gedistribueerde netwerken, waarbij de macht opnieuw komt te liggen bij de individuele participanten en waarbij centrale spelers niet langer nodig zijn, niets nieuws is. Het verleden leert ons dat er in de praktijk echter steeds een centralisatiebeweging is. Of anders geformuleerd: de intentie tot distributie, die mogelijk wordt dankzij technologische evoluties, resulteert de facto in nieuwe vormen van centralisatie.

De vraag is nu of dit voor de blockchaintechnologie ook het geval zal zijn. Voor Bitcoin zien we alvast opnieuw deze beweging. Bitcoin zou de democratie verhogen, zo werd beloofd. We hoorden slogans zoals “democratisering van het geld” en “banking the unbanked”. Centrale en andere banken zouden verworden tot termen uit geschiedenisboeken, want burgers zouden voortaan hun eigen geld kunnen creëren en transfereren. De werkelijkheid is dat er paar nieuwe machtscentra ontstaan zijn, mining bedrijven en mining pools, die zich aan alle vormen van controle onttrekken. Vanuit democratisch perspectief is dat een stap achteruit in vergelijking met het bestaande systeem. Daarnaast zijn er nog de handelsplatformen en aanbieders van online wallets, waar we afhankelijk van zijn. Bovendien is ook de bitcoinrijkdom erg sterk geconcentreerd; bijna één derde van alle bitcoins is eigendom van 1600 pseudoniemen (adressen). Dit geeft een paar mensen de mogelijkheid om koersen te manipuleren ten nadele van alle anderen. Bovendien zijn deze paar mensen niet aan politieke controle onderhevig, zoals dat bij de centrale banken wel het geval is.

Over blockchain en Distributed Ledger Technology (DLT) in het algemeen zijn gelijkaardige optimistische geluiden te horen, zoals: “Blockchain biedt mogelijk de infrastructuur voor een rechtvaardige, inclusieve, veilige en democratische digitale economie.” De vraag is echter in welke mate publieke blockchain netwerken zullen kunnen weerstaan aan de dynamiek tot centralisering die we tot nu toe zagen.

Wanneer nieuwe virtuele munten of gedistribueerde applicaties gelanceerd worden, die allen van DLT gebruik maken, houden de makers een groot deel van de muntjes of tokens voor zichzelf. Daardoor krijgen ze naast rijkdom ook disproportioneel veel zeggenschap over blockchains gebaseerd op proof of stake of distributed proof of stake. Daarnaast zullen de bedrijven vaak de controle over de ontwikkeling van de code, alsook een sterke controle over het smart contract, bij hen houden, zoals het geval is bij de gedistribueerde toepassing CryptoKitties. Het bedrijf achter CryptoKitties heeft weliswaar geen controle over de uitvoering van het smart contract, maar heeft wel een mechanisme voorzien dat toelaat het smart contract te vervangen door een ander. Stel dat er ooit een gedistribueerd alternatief voor booking.com ontstaat op een blockchain, dan is er een goede kans dat dit dus nog steeds gecontroleerd zal worden door één bedrijf, dat misschien zelfs het moederbedrijf van booking.com zelf zou kunnen zijn.

Ook bij afgeschermde blockchainnetwerken zien we vormen van centralisering ontstaan. Denken daarbij aan een BaaS (Blockchain as a Service) aanbieder waarop het hele blockchain network draait, of aan de PKI (Public Key Infrastructure) die een Hyperledger Fabric blockchain netwerk afschermt. De noodzaak aan vertrouwen verdwijnt dus niet, maar wordt geherlokaliseerd op zodanige wijze dat samenwerking tussen de beperkte elkaar kennende maar toch wantrouwende groep participanten gefaciliteerd en gestimuleerd wordt. In afgeschermde blockchain netwerken zullen de verschillende participanten bovendien contractueel verbintenissen moeten aangaan. Ook dit maakt vertrouwen in centrale partijen (het gerecht) noodzakelijk, zelfs in een blockchainwereld. Zo zullen criteria afgesproken worden met betrekking tot onder meer veiligheid, beschikbaarheid en reactietijd van de systemen bij de verschillende participanten. Ook het smart contract zal aan bepaalde criteria moeten voldoen (veiligheid, functioneel, …). Het creëren van vertrouwen dat aan al die criteria voldaan is kan audits noodzakelijk maken, wat gebeurt door een vertrouwde partij. Afspraken en verantwoordelijkheden zullen moeten onderling vastgelegd worden. In het kader van de GDPR moeten bijvoorbeeld het doel en de middelen van de verwerking van de persoonsgegevens bepaald worden, en moet afgesproken worden wie verantwoordelijk is voor welke verplichting, in het bijzonder het informeren van de burger. Dit alles sluit niet uit dat het alsnog verkeerd loopt of dat er geschillen ontstaan. In dat geval moeten de participanten alsnog naar de (vertrouwde, centrale) rechter kunnen stappen.

De toekomst zal dus niet enkel uitwijzen in welke mate DLT een rol zal spelen in onze bredere samenleving, maar ook onder welke vorm. Willen we vlot waarde kunnen uitwisselen en tegelijkertijd risico’s, zoals verlies van de geheime sleutel, voldoende afdekken, dan is centralisatie van bepaalde aspecten wellicht een noodzaak.

Een wereld waarin al het vertrouwen evenredig gedistribueerd is over alle betrokkenen en waarbij er geen nood meer is aan vertrouwde entiteiten is dus niet aan de orde. Misschien moeten we tot de vaststelling komen dat het bij de initiële vraagstelling vaak al verkeerd zat. Deze luidde: “Hoe kunnen we een autoriteit, die we verplicht zijn te vertrouwen, elimineren?” Moeten we die vraag in veel gevallen niet vervangen door: “Kunnen we, gebruik makend van onder andere technologie, processen optimaliseren en het vertrouwen in en de controle over de daarbij noodzakelijke autoriteiten maximaliseren?” Ook bij deze vraag kan DLT, eens volwassen, wellicht een zeer waardevolle rol spelen. Vertrouwde autoriteiten, zoals overheden, banken en ook notarissen, zullen dus blijven bestaan, maar hun exacte rol kan in de toekomst wel veranderen.


Bovenstaand artikel is een fragment uit twee recente gepubliceerde boeken:
- "Blockchain en smart contracts - Het einde van de vertrouwde tussenpersoon?" door Jurgen Goossens & Kristof Verslype
- "Blockchain en smart contracts - Impact op de notaris als vertrouwde tussenpersoon?" door Benjamin Verheye & Kristof Verslype, met voorwoord van Paul Danneels, Chief Transformation Officer Fednot.

 

Bron: Smals Research